De vrije toegang tot de wetenschappelijke literatuur komt nog niet erg van de grond. NWO wil nu de oprichting van open-accesstijdschriften stimuleren.
Een paar maanden geleden publiceerde de jonge medisch entomoloog Marit Farenhorst (27) een artikel over een methode om malariamuggen biologisch te bestrijden. Haar artikel verscheen in Plos One, het bekende wetenschappelijke tijdschrift dat op internet door iedereen kan worden gelezen. Je hoeft er geen abonnementsgeld voor te betalen, en toch is het een goed wetenschappelijk tijdschrift, dat aan peer review doet en topwetenschappers in zijn redactie heeft.
Waarom koos zij juist voor dat tijdschrift? "Malaria is vooral in arme Afrikaanse landen een probleem en daar hebben de onderzoekers geen toegang tot dure wetenschappelijke tijdschriften. De nieuwste data hebben ze soms pas na vijf jaar. Maar Plos One kunnen ze meteen inzien. En het kost ze niks."
Het is een van de voordelen van wat bekend staat als open access: het streven naar vrije toegang tot de belangrijke en recente literatuur (zie inzet). Veel beweging zit er de laatste tijd niet in. Het aandeel van de artikelen die voor iedereen toegankelijk op internet staan is 4 procent van het totaal, bleek uit een recente telling van het Institute for Scientific Information (ISI).
Zo nu en dan wordt er een succesje geboekt. Henk Schmidt, rector van de Erasmus Universiteit Rotterdam, liet vorige maand weten dat alle onderzoekers van zijn universiteit met ingang van 1 januari volgend jaar een kopie van elke publicatie moeten sturen naar de RePub repository, een digitaal publicatiedepot dat op internet is te raadplegen. Het is de eerste Nederlandse universiteit die dat verplicht stelt. Maar als de uitgevers dat nou niet goedvinden? Dan blijft het zoals het is. "Dan is het artikel alleen binnen de universitaire gemeenschap te raadplegen, of het komt pas na een bepaalde periode vrij", zegt Schmidt. "Daar ziet de Universiteitsbibliotheek op toe."
Voorstanders
NWO, de nationale wetenschapsfinancier die jaarlijks 700 miljoen aan Nederlandse onderzoekssubsidies verdeelt, verklaarde zich vorig jaar voorstander van de vrije toegang. Niet dat NWO aan zijn subsidies de verplichting verbond dat gesubsidieerde onderzoekers voortaan al hun publicaties op internet moeten zetten. Dat hadden de voorstanders van het model wel graag gezien. "Maar kun je een onderzoeker die zijn artikel in Nature of Science kan krijgen dat verbieden? Nee natuurlijk", zegt Jos Engelen, voorzitter van NWO. Hij koos een andere weg. Wie in een open-accesstijdschrift wil publiceren kan een extra subsidie krijgen. Die is nodig, want in het open-accessmodel betaalt de auteur van een artikel voor de publicatie (een bedrag dat in commerciële varianten kan oplopen tot 5.000 dollar). Dan wordt het artikel voor iedereen toegankelijk op het web geplaatst.
Hoeveel onderzoekers hebben van die mogelijkheid gebruikgemaakt? "Sinds maart van dit jaar zijn dat er ruim 170", zegt Engelen. "Het geld is nu voor eenderde op." Valt hem dat mee of tegen? "Het valt me niet tegen, maar ik had liever gezien dat het stormliep."
Engelen geeft de strijd niet op. Hij heeft nog een paar dingen bedacht. Onderzoekers die zelf een open-accesstijdschrift willen oprichten kunnen bij NWO een startsubsidie krijgen. Voorlopig is daar een miljoen euro voor uitgetrokken. "Nee, niet om de competitie met bestaande wetenschappelijke tijdschriften aan te gaan. Ik denk vooral aan nieuwe wetenschapsgebieden, interdisciplinaire velden waarvoor nog geen goed tijdschrift is."
Maar het probleem is dat die nieuwe tijdschriften nog geen impact factor hebben. Die factor drukt uit hoe vaak het tijdschrift geciteerd wordt, dus hoe invloedrijk het is. En financiers van onderzoek, zoals NWO, hanteren maar één manier om te beoordelen of hun investeringen succesvol zijn geweest: als de gesubsidieerde onderzoekers publiceren in toptijdschriften, tijdschriften met een hoge impactfactor. "Het is waar", zegt Engelen. "Ik kan niet verhelen dat NWO daar ook aan meedoet. Maar de transitie naar een ander systeem is ongelooflijk moeilijk. We moeten iets creatiefs verzinnen. Ik zou ervoor zijn dat je een nieuw wetenschappelijk tijdschrift meteen een impactfactor meegeeft op grond van de kwaliteiten van de editors, en dat je het na een jaar of twee nog eens bekijkt."
Misschien is het belangrijkste probleem wel dat de onderzoekers het belang van open access niet zo inzien. Om te beginnen is de vrije toegang voor hen al een realiteit: zij kunnen overal bij. Vervolgens is de verleiding om in een duur toptijdschrift te publiceren natuurlijk groot. Engelen: "We moeten bevorderen dat op internationale wetenschappelijke conferenties speciale sessies worden belegd waarin op het belang van open access wordt gewezen. Misschien gaat het dan leven." En misschien gaan dan meer onderzoekers het voorbeeld van Marit Farenhorst volgen.
+ + +
Op het strand de laatste wetenschap lezen
Internet heeft de vrije toegang tot wetenschappelijke literatuur tot een haalbaar ideaal gemaakt. Maar dat ideaal wordt in de praktijk bemoeilijkt doordat de belangrijkste wetenschappelijke artikelen gepubliceerd worden in tijdschriften waarvoor veel abonnementsgeld moet worden neergeteld – soms vele duizenden euro's per jaar. Onderzoekers aan westerse universiteiten hebben van dat probleem geen last, want de universiteitsbibliotheken zijn op alle toptijdschriften geabonneerd, en met hun inlogcodes kunnen de onderzoekers naar hartelust in de online-edities grasduinen. Op het lab, thuis of desnoods op het strand. Maar ieder ander – een belangstellende leek, een arts in Zutphen, een onderzoeker bij een start up – krijgt die codes niet. Hij moet dertig dollar betalen en kan dan één artikel downloaden. Hij kan ook naar de balie van een Universiteitsbibliotheek gaan en daar een fotokopie maken.
Overigens wordt voor de riante mogelijkheden die de universitaire onderzoekers wél hebben, een hoge prijs betaald. De Nederlandse universiteiten maken elk jaar zo'n 35 miljoen euro aan de wetenschappelijke uitgevers over.
Dat heeft die universiteiten en andere financiers van onderzoek wel aan het denken gezet. Het gaat toch om onderzoek dat met belastinggeld betaald is? Moeten we nu nóg een keer betalen om de resultaten daarvan in te zien? En waarom moeten uitgevers als Elsevier en Wiley rendementen van 30 à 40 procent halen?
Nou, zeggen uitgevers als Elsevier en Wiley, wij hebben ook onze kosten. Wij bewaken de kwaliteit, we organiseren de peer review, de drukproeven en de correcties en we maken de resultaten toegankelijk via onze websites. En blijkbaar doen we dat goed, want in onze toptijdschriften wil elke toponderzoeker graag publiceren.
+ + +
Warna Oosterbaan in NRC Handelsblad 16 oktober 2010, bijlage Wetenschap, pagina 10
____________________________________________________________
Dit bericht is verzonden via NEDBIB-L@nic.surfnet.nl
Aanmelden? Afmelden? Info? Vacature plaatsen?
Zie de NEDBIB-L website op http://nedbib.reuser.biz/
Lijstbeheerder: Arno H.P. Reuser nedbib@reuser.biz
EEN ANTWOORD GAAT STANDAARD NAAR ALLE LIJSTDEELNEMERS
Wellicht is uw antwoord alleen zinvol voor de vragensteller
Houd hier a.u.b. rekening mee!
