Er valt niet veel te veranderen aan het wetenschappelijke artikel.
Maar Elsevier probeert het wel.
Heeft het papieren wetenschappelijke artikel zijn beste tijd gehad?
Het tijdschrift Cell, onderdeel van Elsevier, presenteert op internet
twee voorbeelden van een nieuwe publicatievorm. Beide verslagen zijn
ingericht als een miniatuurwebsite waarbij de lezer met de muis kan
kiezen tussen traditionele onderdelen als inleiding, resultaten en
discussie.
Nieuw ten opzichte van het papier zijn een telefonisch interview met
een van de auteurs en een mogelijkheid voor de lezer om het artikel
aan te bevelen op sites als Twitter, LinkedIn en Facebook. Er is een
puntsgewijze weergave van de inhoud en een 'grafische samenvatting',
een prominente illustratie op de voorpagina. Een van de twee
artikelen lijkt een sectie te hebben met commentaar van lezers, maar
deze werkt niet. Wat wel werkt is de optie deze wijze van publiceren
in een enquête te beoordelen. Wat anderen hebben ingevuld zie je
hierbij niet.
"Het doel is de communicatie tussen de auteur en de lezer te
verbeteren", aldus IJsbrand Jan Aalbersberg, vice-president voor
contentinnovatie bij Elsevier. Het gaat volgens hem niet direct om
het handhaven van de bedrijfswinst in moeilijke tijden. "Onze missie
is altijd het verbeteren van de wetenschappelijke communicatie.
Uiteindelijk dient dat wel het bedrijfsdoel."
Moet het deze kant op? Het gáát deze kant al op, zegt Huub
Schellekens, hoogleraar Innovaties in medische biotechnologie aan de
Universiteit Utrecht. "Het is niet erg nieuw wat ik zie.
Tijdschriften als Nature, Science, The Lancet en The Scientist doen
al aan interviews, animaties, commentaarmogelijkheden en dergelijke.
Meestal heeft de franje geen extra waarde, alleen de sectie met
commentaar van anderen vind ik vaak boeiend."
Natuurkundige Ad Lagendijk, hoogleraar aan de UvA en de Universiteit
Twente, is nog sceptischer. "De huidige standaard om
wetenschappelijke publicaties uit te wisselen is het pdfbestand. Dat
is een open standaard. Elsevier zou wel willen dat zo'n nieuwe vorm
wordt geaccepteerd. Dan kunnen we geen pdf'jes meer rondsturen maar
moet iedereen op hun site inloggen [en dus een duur abonnement
hebben]." Een drempelloze commentaarsectie vindt Lagendijk geen goed
idee. "Ik zie aankomen dat een of andere idioot zich uitgeeft voor
een beroemd fysicus en als zodanig een paar artikelen op internet van
'commentaar' voorziet. 'Open science' betekent dat je alle gekken
binnenhaalt, die ook nog eens alle tijd hebben."
Aalbersberg van Elsevier benadrukt dat nog lang niet zeker is welke
nieuwe onderdelen een nieuwe standaard voor wetenschappelijk
publiceren gaan vormen. Hij verwacht niet dat de pdf zal verdwijnen.
"De meeste mensen die commentaar geven op het experiment zeggen de
pdf niet kwijt te willen." Querulanten wil hij net als Lagendijk
buiten de deur houden: "Als we commentaar gaan toestaan dan moeten we
dat zeker modereren."
Blij met het initiatief van Cell is prof. Ton van Raan, directeur van
het Centrum voor Wetenschaps- en Technologiestudies in Leiden. Zijn
werk is het in kaart brengen van wetenschappelijke citaties en andere
manieren om de kwaliteit en kwantiteit van wetenschappelijke output
te meten. "Vernieuwend, maar niet revolutionair", vindt Van Raan. Hij
prijst de mogelijkheid om vergrotingen van figuren te bekijken. Voor
zijn eigen werk is hij verheugd dat wetenschappelijke referenties per
paragraaf worden weergegeven. "Als een artikel veel wordt geciteerd
in 'Introductions' is het belangrijk als standaardartikel. Komt het
meer voor in 'Results' dan heeft het vooral actuele impact."
Een lastige vraag bij het op deze manier opleuken van
wetenschappelijke publicaties is: wat doen we met het grote
verkoopargument van het wetenschappelijke tijdschrift, de peer review
– de controle door vakgenoten? "Referees zullen meer moeten
beoordelen", zegt Van Raan. "Daar zullen de meeste geen zin in
hebben, bovendien vereist het andere expertise. Er is ook verschil
tussen het recenseren van boeken dan wel films. De kans bestaat dat
de multimediale verpakking meer aandacht gaat krijgen dan de inhoud."
Lagendijk heeft inderdaad geen zin: "Ik zal nóóit als beoordelaar een
interview gaan beluisteren. Het minste wat ze dan moeten doen is een
transcriptie leveren. Dat zullen ze niet doen, want dat kost geld."
Schellekens is reviewer voor Nature en het New England Journal of
Medicine. "Ik beoordeel alleen het eigenlijke artikel. Het komt wel
voor dat we vragen om iets van de extra data te verplaatsen naar het
hoofdartikel of andersom."
Aalbersberg verwacht dat digitale wetenschappelijke artikelen deels
wel, deels niet een peer review zullen krijgen."'De waarde van peer
review is onschatbaar, maar je kunt het niet op alle onderdelen
toepassen. Niet op commentaar van lezers bijvoorbeeld. Bij andere
onderdelen zal het wenselijk zijn maar misschien ondoenlijk blijken.
Dan moeten we die buiten het reviewproces houden maar dat wel in de
publicatie aangeven." De reacties zijn volgens Aalbersberg voor 80
procent positief. "We krijgen commentaren als 'absolutely amazing' en
'finally done right'. Als we vragen wat ze het minst bevalt zeggen de
meeste 'nothing'. Een enkeling vindt de samenvattende illustratie te
groot, die zou meer tekst willen zien." De enquête zal nog geruime
tijd doorlopen. Eén concreet resultaat is er al: de puntsgewijze
opsomming van de hoofdzaken uit een artikel zal dit jaar de
publicaties van Cell bereiken.
Herbert Blankesteijn in NRC Handelsblad, 8 augustus 2009
____________________________________________________________
Dit bericht is verzonden via NEDBIB-L@nic.surfnet.nl
Aanmelden? Afmelden? Info? Zie de NEDBIB-L website op http://nedbib.reuser.biz/
lijstbeheerder: Arno H.P. Reuser nedbib@reuser.biz
EEN ANTWOORD GAAT STANDAARD NAAR ALLE LIJSTDEELNEMERS
Wellicht is uw antwoord alleen zinvol voor de vragensteller
Houd hier a.u.b. rekening mee!
